Treinflarden II

Treinflarden maart 2022

Vaak zit ik in de trein. Onderweg voor een reportage, familiebezoek of op weg naar vrienden. Meestal lees ik een boek of de krant. Soms lukt het mij niet te concentereren omdat er iets in de trein gebeurt, of op het perron. Dan schrijf ik het maar op. Onderstaande hoorde ik afgelopen maand.

Utrecht – Gouda; 12.55
Twee vrouwen lopen een drukke weekendtrein binnen. Een van hen heeft krullen, de ander houdt koffie vast en pistolet met kaas – uit het broodje steken blaadjes sla.

Ze zitten midden in een verhaal. “Stomme spoorwegen,” zegt de vrouw met de krullen. De dame met het pistolet stopt abrupt met lopen en kijkt naar de ’s’, geplakt op het raam. “En dit is een stiltecoupe,” zegt ze. “Daar wil ik ook niet zitten.”

Ze lopen verder.

Den Haag – Gouda; 17.21
Hij zit er wat verloren bij. De jongen kijkt beteuterd, zijn benen raken de vloer van coupe niet. Het is druk in de trein, naast hem zit een jonge vrouw te bellen – de jongen is alleen, hij peutert af en toe in zijn oor.

Iets verderop zit een groepje oudere vrouwen verspreid over twee vierzitters. Een van hen draagt haar mondkapje binnenstebuiten, iemand anders deelt mini-marssen uit. Een dame met rood haar giert. “Ja, hallo – ik neem geen snoep van vreemden aan!” 

Iedereen lacht, maar de jongen lijkt het niet te merken.

Dan gaat een ringtone af. Iemand zegt hallo, maar de ringtone blijft klinken. Weer zegt iemand hallo, de ringtone stopt. Dan gaat-ie weer af, en weer klinkt dat dat hallo.

Vervolgens staat een oude vrouw achter mij op. De ringtone komt dichterbij, ze loopt naar de eenzame jongen. De vrouw overhandigt hem de telefoon. Hij toetst de beveiligingscode van het toestel in, opent Whatsapp en neemt de binnenkomende oproep aan. De jongen geeft het toestel terug aan de oude vrouw.

Dan klinkt voor de laatste keer hallo, het dametje stiefelt terug naar haar plek en dan begint eindelijk het telefoongesprek.

Rotterdam – Breda; 17.45
Als de trein naar Breda over de Moerdijkbrug is gereden, roept het zoontje naar zijn vader. “Maar papa, zo heb ik het niet geleerd op school.”

“Het gaat er niet om hoe je het uitrekent,” zegt de vader. “Maar dat je bij het juiste antwoord komt.”

Het zoontje protesteert. “Ja, maar dan krijg ik een onvoldoende, hoor.”

“Hoezo, de stelling van Pythagoras is toch a2 + b2 = c2?”

“Dat is de mavo-manier, papa – ik moet het op de havo-manier doen.”

De vader mompelt wat en de trein dendert verder.

Tilburg – Den Bosch; 22.08
Op zondagavond is de intercity bezaaid met weekendrommel. Op een uitgeklapt tafeltje staat een half opgegeten maaltijdsalade met daarbovenop sinaasappelschillen. Nadat de trein is vertrokken, rolt een leeg blikje bier over de vloer.

In Tilburg stapt een jongen met pet in. Hij draagt een kartonnen tasje, met daarop de tekst Sushipoint. Daar haalt hij weer een doosje uit. Hij opent het en er verschijnen verschillende sushirollen. 

Hij zet het doosje neer, pakt zijn iPhone en maakt een foto van het eten. Dan opent hij WhatsApp en stuurt dezelfde foto in verschillende chats. Overal typt hij een bericht van ongeveer dezelfde lengte.

Dan doet de jongen met pet zijn telefoon weg en pakt twee stokjes uit zijn tas.

Utrecht – Amsterdam Bijlmer; 17.55
In de trein naar Amsterdam is het druk, we moeten op het balkon staan. Mensen leunen tegen de deur, een stelletje – jongen en meisje – staat half op de trap naar de coupe. 

Het stelletje draagt geen mondkapje en drinkt speciaalbier uit fles. De jongen heeft nog twee halve literblikken bier in zijn jaszakken zitten als reserve. Ze hebben een levendig gesprek over vrijdagnacht, de clubnacht – wie ze tegenkwamen en wie niet. Ze geven elkaar kusjes die ze afwisselen met slokjes bier.

Iemand laat een scheet en de jongen lacht. Hij duwt zijn vriendin. “Dat stinkt,” lacht hij. 

“Waarom heb ik die ene huisgenoot – Peter, toch – nog nooit nuchter gezien,” vraagt zij dan. 

“Je moet wat met je leven, weet je.”

“Weet je wat nice zou zijn,” zegt zij dan. “Dat ik eens een weekend geen afspraken of feestjes plan. Dat ik gewoon kijk waar ik terecht kom, wat mij overkomt.”

“Nice, gewoon overal ‘ja’ tegen zeggen.”

“Precies.”

De jongen neemt het laatste slokje speciaalbier, zet het flesje op de trap en opent een van de halve liters. Hij drinkt.

“Gadverdamme,” zegt hij. “Dat is vies.”

Nijmegen – Ede-Wageningen; 12.10
De trein is vies, ik zag het al op station Nijmegen waar ik instapte. Modder, zwarte sporen – het is onmogelijk om naar binnen te kijken.

Eenmaal in de trein zie ik door de modder toch de Waal, de autoparking bij Elst en later de groene heuvels nabij Arnhem.

Net voor station Ede-Wageningen zie ik mensen langs het spoor. Ze dragen oranje hesjes en witte helmen. Een van hen spuugt richting de rails, een ander plast tegen een boom. Ze wanen zich onbespied. 

Amsterdam Amstel – Utrecht; 23.40
Op een woensdag tuft een van de laatste treinen weg vanuit de randstad. De coupes zijn spaarzaam bevolkt – hier en daar zitten plukjes mens. 

In de vierzits achter mij eet iemand met volume, af en toe klinkt een kort telefoongeluid. Dan blijft een muziekje langer aanhouden – ik hoor een beat, spaarzame synths en onnavolgbare rapteksten. 

Ik kijk op vanaf het boek dat ik lees. Er staat een man met gespierde armen en gemillimeterd haar voor mij. 

“Ben jij dat,” vraagt hij.

Snel schud ik ontkennend en kijk schichtig naar mijn boek. Ik kan de zin waar ik was gebleven niet meteen terugvinden. De man loopt verder naar de vierzits achter mij.

Ik spiek langs de stoelen en zie dat de gemillimeterde man de medereiziger met luide muziek aanstaart. Het gerap gaat nog even door, dan stopt het. De gemillimeterde man beent terug naar zijn plaats. Het is stil.

Bij Ede-Wageningen staat de gemillimeterde man weer op en maakt aanstalten om te vertrekken. Hij doet een dikke jas aan, gemaakt van camouflagemateriaal. Op zijn schouder is een klein embleem genaaid. 

Daarop, het rood-wit-blauw van de Nederlandse vlag.

Alle verzamelde treinflarden kun je hier vinden.


Leave a Reply

Your email address will not be published.