De tweesprong

In het huis van mijn opa lagen een paar A4-tjes met gekrabbel. Memoires over een dramatische gebeurtenis in oktober 1944. Na zijn dood in 2011 vonden zijn kinderen de handgeschreven herinneringen. Vier jaar later ga ik samen met mijn vader en een van mijn ooms terug naar de plek waar die gebeurtenis zich afspeelde. De plek waar hun vader een beslissing van levensbelang nam.

Toon (62) en Peter (55) kijken naar links, dan weer naar rechts. Ze staan op het fietspad – zondagsverkeer sjeest voorbij. Auto’s met Belgische en Nederlandse nummerplaten rijden naar Baarle-Nassau en Baarle-Hertog, een tweelanden-puzzel in één dorp. Op een steenworp afstand staan de twee broers op een tweesprong. De plek waar hun vader 71 jaar eerder een simpele beslissing nam.

Hij ging rechts.

“Dus dit is de splitsing?”
“Of is het ietsjes verder?”
“Ja, volgens mij wel, de weg is verlegd.”
“Zo, even een foto maken.”
“Zeg, is er niet een friettent of cafetaria hier? Dat is toch altijd op van die beslissende plekken?”

De broers lachen.

IMG_1051

Waar nu zondagsmensen in dure wagens van Breda naar Baarle rijden, daar was het in oktober 1944 chaos. Het zuiden van Nederland was net bevrijd, maar het land lag in puin. De Duitse bezetter had het gebied rondom Baarle in verwoeste toestand achtergelaten. Kapotgeschoten gebouwen en opgeblazen wegen waren gemeengoed – gesneuvelde soldaten sierden akkers en weilanden.

Het leven kwam langzaam weer op gang. De lijken van de gevallen soldaten moesten onder de grond. Onder leiding van een katholieke broeder haalde de vader van Toon en Peter samen met vier andere dorpelingen vijf weken lang oorlogsslachtoffers op. Toen hun vader Frans het eerste lijk zag – een door het hoofd geschoten soldaat – zei hij: “Getverdimme, ik doe niet meer mee.” Toch begroef hij samen met de anderen zo’n negentig dode mannen – ook al dacht hij soms dat de hersenen in zijn laarzen liepen.

Nadat Frans in 2011 op 98-jarige leeftijd overleed, haalden zijn negen kinderen het ouderlijk huis leeg. Peter vond een aantal handschreven aantekeningen. Verhalen die hun vader na zijn werkzame leven op de boerderij op papier zette – memoires. Op twee A4-tjes met gekriebel stond een verhaal over het ophalen van de gesneuvelde soldaten. Hij scande het in, mailde het naar zijn broers en zussen, maar kreeg weinig respons. Het handschrift van een 90-jarige man is niet zo leesbaar.

Nu staren Toon en Peter naar de twee papiertjes van hun vader.

“Wij hadden al meerdere gesneuvelde soldaten opgehaald onder alle mogelijke en rare toestanden tot we bericht kregen dat we er nog een paar op moesten halen. Wij reden achter Fons Hoefman. Hij ging een paar kalveren halen. Bij aankomen aan de Oude Baan zei Fons: ‘Ik rij hier maar langs want op de weg is het zo druk met legerwagens die van Breda komen.’” 

De broers kijken vanaf het fietspad naar de lange baan. Autobanden glijden over het natte wegdek.

Ze houden er een landkaart bij.

“Dus deze weg stond vol met legerwagens die naar Baarle reden?”
“Het was druk, ze moesten aanschuiven. Voor Fons ging het allemaal niet snel genoeg.”
“Nou, dat heeft hij geweten ook.”

“Ons pa ging rechts om lijken op te halen, zullen we daar maar heen gaan?”

Ze stappen in een witte Lexus. Met een druk op de knop start de motor. Een scherm draait omhoog, een landkaart van de streek verschijnt. Ze vergelijken het met hun papieren exemplaar. Het klopt allemaal. De broers draaien de baan op en volgen de weg die hun vader 71 jaar geleden ook op ging. Niet stapvoets, maar op volle snelheid. Een Audi met Belgisch nummerbord haalt ze in.

“Jezus, wat een idioot.”
“Waar is dat nu goed voor?”
“Je mag hier maar zestig.”
“Ik rijd zestig.”
“Stop hier, aan de rechterkant.”
“Waar?”
“Hier, zet je knipperlichten aan.”
“Kan niemand hier normaal rijden?”

De Lexus komt tot stilstand. Toon en Peter zijn nog lang niet bij de plek waar het eerste lijk zou hebben gelegen. Ze zullen er ook niet heen gaan. Want hun vader zou die oktoberdag in 1944 dat dode lichaam niet opladen. Tenminste, niet als eerste.

Ze kijken op de A4-tjes met krabbels van hun vader.

“In eens hoorden we een harde klap en zagen een wolk rook in de verte. Mensen van de omliggende boerderijen liepen naar de Oude Baan. Wat is daar gebeurd? Vlug er naar toe. Omgedraaid en over het erf van een boer naar de Oude Baan.”

Peter kijkt over zijn schouder. Er is geen verkeer. Ze draaien, gaan terug de weg op en rijden een stukje terug.

“Ga bij nummer 10 maar de oprit op. Hier moet het ongeveer zijn geweest.”
“Hmm. Dus hierlangs gingen ze over een pad naar de Oude Baan?”
“Ja.”
“Trouwens, wat een bouwval, dat autobedrijf.”
“Zou er nog iemand wonen?”
“Sommige mensen kunnen echt overal een bende van maken.”
“Ja, die sparen alles op.”
“…Verschrikkelijk.”
“Nou, op naar de Oude Baan, verder in de voetsporen van onze vader.”
“Zullen we er dan direct ook een krans leggen?”
“Ja, en een kleine ceremonie of zo.”

De broers grinniken.

Ze rijden terug naar de tweesprong en parkeren de Lexus aan het begin van de Oude Baan. Ze gaan het zandpad op – de wind blaast. Langzaam verdwijnt de beschutting van de bossen en lopen ze open veld in. Aan de ene kant weilanden, aan de andere kant akkers. De broers trekken de kraag van hun jas iets hoger – de wind snijdt. In de verte komt een man met paard en wagen hen tegemoet.

“Dat is toevallig.”
“Vraag eens of hij Fons heet.”
“Ha-ha, we hebben niet eens een ladder bij.”

Man, paard en wagen passeren. Het is stil – enkel de wind maakt geluid. Toon en Peter zien een oud pad waar gras overheen is gegroeid. In de verte staat het bouwvallige autobedrijf waar ze iets eerder nog op de oprit stonden. Hier moet het zijn gebeurd.

Ze kijken op de papiertjes van hun vader.

“Het was Fons. Hij was op een mijn gereden. Toen wij daar aankwamen lag Fons langs het fietspad. Het paard stond in het spoor. De kar waar hij op zat was tot splinters uiteen geslagen, de as en een wiel lagen over de sloot op de naast gelegen akker. Hij was zwaar gewond aan zijn gezicht en zijn rug zat vol met splinters. Zijn gezicht was aan de linkerkant flink geraakt. Wij hadden een ladder bij die dienst deed als brancard. We hebben hem daar voorzichtig opgelegd en toen naar het ziekenhuis in Turnhout gebracht. Pastoor Vekeman kwamen we al tegen, die heeft wat met hem gepraat en toen gezegend. Daar in Turnhout is hij ’s anderdaags gestorven.”

Niets van dat alles is nog terug te zien in het landschap – geen monument, geen krater in de weg.

IMG_1049

De broers stappen in de Lexus en rijden terug naar huis.

“Weet je. Hoe meer ik van ons pa te weten kom, hoe meer ik met zijn verleden bezig ben – hoe meer ik denk: had ik dat maar aan hem gevraagd.”
“Maar misschien maakt dat het juist mooi, nu ontdekken we het zelf.”
“Maar toch, ik dacht dat ik ons pa goed kende. Ik heb zoveel met hem gepraat en gebuurt.”
“Hij heeft toch wel eens over de gesneuvelde soldaten gehad?”
“Ja, klopt. Maar als ik dit eerder wist, was ik met hem hier naar toe gereden. Hadden we het samen bekeken.”
“Ja.”

Even later: “Laten we anders even naar café Den Engel gaan in Baarle. Dat was het stamcafé van onze pa – hij haalde daar nog pilsjes voor negen cent.”

Toon en Peter nemen plaats aan een tafel in Den Engel. Ze bestellen blonde Leffe’s – bijna vier euro per stuk. Buiten is het donker, het is vijf uur geweest. Aan de muur hangt een oude foto van het café. De foto is bruinig.

Ze nemen een slok van het bier.

Onderaan de krabbels van hun vader staat nog één zin.

“Ik heb over het voorval nog gesproken en gezegd: ‘Wat hebben wij een geluk gehad, voor hetzelfde geld hadden jullie nu geen vader gehad.”


3 comments

Leave a Reply

Your email address will not be published.