De gasfles

Over het gladde beton richting Almelo, in het buitengebied van Geesteren, sjezen auto’s door de net ingevallen decemberdonkerte. Daar, vlakbij een rotonde, kijk ik naar de levensader van het provinciale verkeer. Af en toe mindert een wagen in snelheid en verblinden koplampen kort mijn zicht, daarna volgt krakend grind onder rubberbanden.

Langs het asfalt zijn enkele huizen, een boerderij en een restaurant – een buurtschap, net buiten het dorp. Naast mij, bij een houten bank, staat een jonge vrouw met weekendtas. “Nog vijftien minuten,” zegt ze als ik informeer naar de bustijden. Vervolgens staren we weer naar de meanderende levensader.

Na een tijdje onderbreekt de jonge vrouw ons stilzwijgen. “Volgens mij ruik ik vuur,” zegt ze zonder stemverheffing.

We wenden het gezicht van de rijksweg af. Achter ons, voor de ingang van het restaurant, staan aan weerszijden van een rode loper zes vuurkorven, waarbij gasflessen vuur in razend tempo naar boven stuwen. Het exemplaar bij deur sist, onder de korf verschijnen blauwe vlammen.

Even aarzelen we, dan loop ik richting het restaurant en open de voordeur. Binnen is het warm, maar verlaten. Op elk bord staat een tot driehoek gevouwen servet, door speakers klinkt muziek met kerstbellen. Door het raam in de deur zie ik hoe de jonge vrouw met weekendtas de bus instapt.

Ik roep, maar krijg geen reactie. Langzaam loop ik verder de ruimte in en schraap mijn keel om ditmaal iets harder te roepen. Een deur achter de bar klappert, een vrouw met zwarte krullen verschijnt. Ik wijs naar de decemberdonkerte en mompel iets over vuur.

We lopen naar het raam en kijken naar buiten. De coniferen branden.

De vrouw met zwarte krullen snelt door de klapdeur. Enkele tellen later is ze terug met vijf witte schorten. “Godverdomme,” zegt een van hen.

Dan klappert de deur opnieuw. Om mijzelf nuttig te maken trek ik vast de buitendeur open. Als deze dichtvalt, heropen ik de deur en zet de knip erop, wat mislukt, waarop deze opnieuw dichtspringt. Niet veel later duwt een kok met brandblusser mij uit de opening.

Terwijl hij de zegel van de brandblusser lostrekt, houd ik de deur handmatig open, maar als ik mijn vingers na een paar minuten van het houtwerk verwijder, valt de deur niet terug – het hout blijft in dezelfde positie staan.

De kok spuit schuim richting het vuur. Vlokken dalen neer, vlammen stijgen op, de ene hoger dan de andere.

Achter mij klinkt gestommel. Twee jonge witte schorten hebben een waterhaspel bij de nabijgelegen toiletten gevonden waarvan ze de slang richting de deur trekken. Ook ik pak de slang vast en zie dat deze in de knoop zit. Ik denk na, maar voordat een oplossing binnenschiet, voel ik spanning. Het is de kok die het uiteinde van de slang vast houdt, alsof hij aan een potje touwtrekken deelneemt. Hij wint.

De kok spuit water richting het vuur. Eerst lijkt hij ook daar als eerste te eindigen, maar na enkele seconden komen de vlammen terug. Na een tijdje laat hij de waterslang op de grond vallen. “Naar binnen, naar binnen,” roept hij met stemverheffing.

Iedereen propt zichzelf door de deur, rent zover mogelijk het restaurant in – enkele driehoekige servetten en borden vallen op de grond.

Even lijkt alles bevroren. Dan volgt een knal, een flits en het geluid van gebroken glas. Buiten joelt een hond – mijn oren piepen.

Voorzichtig loop ik terug. Bij de bar, in de opening van de klapdeur belt de vrouw met zwarte krullen het alarmnummer. Dan hoor ik gejammer: bij de deur ligt de kok op de grond, zijn handpalmen om zijn oren gesloten.

Twee vrouwen in winterjassen rennen door de deuropening richting de kok. “We hoorden thuis de knal, we zijn gelijk komen,” zeggen ze. Het duo knielt naast de kok, tilt hem op. Ondertussen komt de vrouw met zwarte krullen met een glas water aanzetten. “De ambulance komt eraan,” zegt ze.

Buiten is het vuur gedoofd en de levensader verstopt. Een automobilist heeft zijn wagen dwars over het asfalt geparkeerd en houdt het verkeer op afstand. Onmiddellijk rennen vier witte schorten met bezems naar buiten en beginnen te vegen. Uit de nabijgelegen huizen komen bewoners, ook zij dragen bezems – een van hen heeft een elektrische bladblazer vast.

Ik loop voorzichtig naar de kok en vrouwen en vraag of ik iets kan doen. Hoofden draaien, maar nog voordat een mond opengaat, loopt een man in overal en groene laarzen de zaak binnen. “Wat is hier gebeurd dan,” zegt hij.

Zachtjes tik ik op de schouder van de vrouw met zwarte krullen, ze zegt dat ik niets kan doen. Dan vraag ik of ze niet mijn nummer nodig heeft, voor de verzekering. Ze twijfelt, maar pakt haar telefoon. Na het intoetsen van tien cijfers, vraagt ze naar mijn naam. Bij mijn achternaam aangekomen, zegt ze: “O, dat hoeft ik niet te weten.” Achter mijn voornaam typt ze het woord ‘gasfles’.

Een tijdje blijf ik binnen staan, dan loop ik naar buiten. De schorten vegen, de bladblazer blaast – de man in overal en groene laarzen regelt het verkeer. In de verte klinkt een sirene.

Even denk ik dat mijn lichaam oplost in de donkere lucht, totdat een van de schorten mij aankijkt en een knikje geeft. Hij draagt water in een voormalig mayonaise-emmertje.

Een half uur later stap ik alsnog op de bus. De buschauffeur kijkt naar de ambulance, de omstanders – het glas op de grond. Over zijn dashboard hangt een dubbelgevouwen exemplaar van de Tubantia.

“Je ruikt naar gas,” snuift hij.

De deur schuift dicht, we rijden het donker in.


Leave a Reply

Your email address will not be published.